Handleiding

Wifi nameten

Wat je na het ophangen meet, en hoe dat zich verhoudt tot wat je had getekend.

Het wifi-plan voorspelt, de meting bewijst. Die twee lopen zelden helemaal gelijk, en dat is geen fout in het plan: een tekening kent geen metalen archiefkast, geen buurman die vorige week een nieuw access point ophing, en geen deur die dicht kan.

Kijken wie er nog meer uitzendt

RouterOS kan met zijn eigen radio scannen. Welke opdracht je gebruikt hangt af van het wifi-pakket op het apparaat. Met het nieuwe pakket wifi:

/interface wifi scan wifi1 duration=10

Met het oude pakket wireless:

/interface wireless scan wlan1 duration=10

Scannen haalt de radio van zijn kanaal af. Clients die erop zitten verliezen tijdens de scan hun verbinding. Doe dit dus niet op het access point waar je zelf op zit, en op een draaiende locatie liefst buiten kantooruren.

Wat je terugkrijgt is een lijst met SSIDs, kanalen en signaalsterktes. Niet het aantal netwerken telt, maar de verdeling over de kanalen. Drie buren op kanaal 1 en niemand op 11 is nuttige informatie; vijftien netwerken op -85 dBm zijn achtergrondruis.

Hoe druk een kanaal echt is, zegt de bezetting eerder dan het aantal namen. Op het oude pakket geeft /interface wireless frequency-monitor wlan1 per frequentie de belasting. Een kanaal met twee zwakke buren die de hele dag zenden is drukker dan een met zes sterke buren die niets doen.

Signaal en ruis

Voor clients die al verbonden zijn kijk je in de registratietabel:

/interface wifi registration-table print
/interface wireless registration-table print

Per client zie je de signaalsterkte en het tarief waarop hij praat. Dat tweede getal is in de praktijk belangrijker dan het eerste: een client op een hoog tarief heeft een goede verbinding, wat de dBm ook zegt.

De getallen zijn negatief en dichter bij nul is beter. Een ruwe indeling:

SignaalWat je ervan mag verwachten
-50 dBm en hogerUitstekend. Je staat vlak bij het access point.
-60 tot -50 dBmGoed. Hier haal je waar de apparatuur voor gemaakt is.
-70 tot -60 dBmBruikbaar. Video werkt, de snelheid loopt terug.
-75 tot -70 dBmDe rand. Werkt, maar valt weg zodra er een deur dicht gaat.
onder -80 dBmNiet op rekenen.

De ruisvloer ligt normaal rond -90 tot -95 dBm. Het verschil tussen signaal en ruis is wat telt: ongeveer 25 dB of meer geeft een verbinding waar je wat aan hebt. Een signaal van -65 dBm met een ruisvloer van -80 is slechter dan -70 dBm met een ruisvloer van -95, ook al ziet dat eerste getal er beter uit.

Is de ruisvloer hoog, dan zendt er iets in de buurt dat geen wifi is. Op 2.4 GHz zijn de gewone verdachten een magnetron, een draadloze camera, bluetooth-apparatuur en een slechte voeding.

Door het gebouw lopen

Eén meting bij het access point zegt niets. Je wilt weten hoe het is waar mensen zitten, en dat betekent lopen.

  1. Loop de ruimtes langs met een telefoon of laptop en noteer per plek het signaal en, belangrijker, of een videogesprek het volhoudt.
  2. Let op de randen: het verste bureau, de vergaderruimte achter de betonnen wand, het trappenhuis.
  3. Doe deuren dicht die normaal dicht zijn. Met alle deuren open meet je een ander gebouw.
  4. Meet één keer als het leeg is en één keer als het vol is. Mensen zijn voor het grootste deel water, en water houdt 5 GHz tegen.
  5. Loop de route die iemand echt loopt, en kijk of je toestel overstapt naar het volgende access point. Roaming is een beslissing van de client, dus dit is het enige wat het je vertelt.

Gebruik liefst één toestel. Twee telefoons van verschillende merken geven op dezelfde plek verschillende getallen, en dan vergelijk je meetapparatuur in plaats van het netwerk.

Naast het wifi-plan leggen

In het wifi-plan heb je muren getekend, access points geplaatst en de dekking zien kleuren. Leg je meting daarnaast en je krijgt drie soorten uitkomsten.

  • Het klopt. Dan weet je ook meteen dat je plan voor de volgende verdieping te vertrouwen is.
  • De meting is beter dan het plan. Meestal een muur die zwaarder is ingesteld dan hij in het echt is. Pas het plan aan, anders hang je volgende keer een access point te veel op.
  • De meting is slechter dan het plan. Hier zit het werk. Kijk naar wat er in het echt staat en niet op de tekening: een liftschacht, leidingwerk, een spiegel, folie op het glas, een stalen stelling. Vul dat aan als obstakel en kijk of het plan dan wel klopt.

Het plan kan je buren niet kennen. Je scan wel. Blijkt het kanaal dat je had gekozen vol te zitten, dan pas je dat aan in Wifi-kanalen: de velden Frequentie 2.4 GHz en Frequentie 5 GHz staan standaard leeg, wat automatisch betekent. Op 2.4 GHz houd je je aan 1, 6 of 11 (2412, 2437 of 2462) en laat je de breedte op 20 MHz staan; alles daarboven overlapt met je buren.

Op 5 GHz is er meer ruimte, maar de DFS-kanalen kunnen je zonder waarschuwing verplaatsen als er radar wordt gedetecteerd. Wisselt een access point zomaar van kanaal, kijk dan in het log voordat je iets repareert dat niet stuk is.

Het zendvermogen in Wifi-instellingen staat standaard leeg, wat het maximaal toegestane betekent voor het land dat je kiest. Harder zenden is niet altijd beter: je access point bereikt de client wel, maar de client met zijn kleine antenne bereikt het niet terug, en je maakt meer ruis voor je eigen buur-access point. Staan er meerdere dicht bij elkaar, dan is vermogen terugdraaien vaak de verbetering.

Wat de tool hier niet kan

De configurator scant niet. Hij draait in je browser en heeft geen radio en geen verbinding met je apparatuur. Het wifi-plan is een simulatie op basis van wat jij tekent, en de controles over wifi kijken naar je configuratie, niet naar de lucht. Alles in dit hoofdstuk meet je op het apparaat zelf of met een app op je telefoon.

Verder lezen: Wifi-kanalen, Het wifi-plan en Controles over wifi.

Meteen proberen? Open de configurator