Doel: overal in een magazijn of een groot pand bruikbare wifi, met access points die je van tevoren hebt geplaatst in plaats van achteraf verhangen.
Wat je nodig hebt
- Een plattegrond met maten in meters. Een bouwtekening is prima, een geschatte schets ook, zolang de afstanden kloppen.
- Weten waarvan de muren zijn, en waar de stellingen staan.
- Een switch met PoE, of injectoren, en ruimte om kabels te trekken.
- Weten wat er op het netwerk moet: handscanners zijn iets heel anders dan laptops, en een scanner van tien jaar oud hangt vaak nog op 2.4 GHz.
Stap 1: de verdieping tekenen
- Ga naar het wifi-plan en maak een verdieping. Zet de hoogte op wat het werkelijk is; een magazijn van zes meter is geen kantoor van 2,8.
- Kies het vloertype: houten vloer, kanaalplaat, beton of beton met vloerverwarming. Dat telt alleen mee voor verdiepingen boven of onder elkaar.
- Teken de muren met hun materiaal: gipswand, hout, cellenbeton, baksteen, tegelwand, glas, HR++-glas, beton, gewapend beton of metaal. Per muur kun je de dikte in centimeters opgeven; de tool schaalt de demping mee.
- Teken ruimtes als rechthoeken met een naam. Dat is wat je later per ruimte een percentage dekking oplevert.
- Zet openingen in muren waar deuren en doorgangen zitten. Een opening kost niets aan signaal; een dichte deur wel.
Stap 2: de stellingen
Het plan kent geen stelling als apart object, en dat is precies waar een magazijn zich van een kantoor onderscheidt. Doe het zo:
- Een rij volle palletstellingen schermt af als een muur. Teken de rij als een muur van metaal als er staalplaat of massieve lading in zit, en als hout of baksteen voor een rij met dozen.
- Losse obstakels zet je neer als object: een metalen kast voor een schakelkast of een rek, een meterkast (met het aantal kabels en of de deur van metaal is), een koelkast of vriezer voor koelcellen.
- Stellingen lopen vol en leeg. Teken de situatie waarin de dekking het slechtst is, want dat is de situatie waarin de scanner het moet doen.
Stap 3: access points plaatsen
- Zet een access point neer en kies het model; de banden en het vermogen komen uit de catalogus.
- Zet de hoogte per access point. In een magazijn hang je ze niet op 2,4 meter maar aan de spanten; vul in wat je echt gaat doen, want de afstand tot een scanner op werkhoogte telt mee.
- Kies de antenne: rondstralend, of een sector met een openingshoek en een richting die je kunt draaien. Boven een gangpad is een sector die het pad in kijkt vaak beter dan een rondstraler die de helft van zijn vermogen het dak in stuurt.
- Zet radio's per band uit waar je ze niet wilt. In een dichte opstelling is 5 GHz alleen soms beter dan 2.4 GHz erbij, omdat 2.4 GHz veel verder draagt en dus bij de buren interfereert.
- Pas de EIRP per band aan als je zachter wilt zenden.
Stap 4: de kaart lezen
De kaart kleurt het signaal per plek, door de muren die je hebt getekend. Als richtlijn: −55 dBm is uitstekend, −67 dBm is goed, −75 dBm is matig en −82 dBm is zwak. Per ruimte krijg je het percentage dat op −67 dBm of beter zit, de zwakste plek en het gemiddelde. Het advies meldt een ruimte die onder de 70 procent blijft, en een access point dat binnen een meter van een zwaar obstakel hangt.
Streef niet naar het sterkste signaal overal, maar naar overlap: elke plek moet een tweede access point kunnen zien, anders valt er een gat zodra er één uitvalt of een heftruck ervoor staat.
Stap 5: kanalen en vermogen
In het onderdeel Wifi:
- Land goed zetten: dat bepaalt welke kanalen en welk vermogen zijn toegestaan.
- Kanaalbreedte 2.4 GHz op 20 MHz. Er passen maar drie niet-overlappende kanalen in die band (1, 6 en 11, oftewel 2412, 2437 en 2462 MHz); 40 MHz maakt dat erger.
- Kanaalbreedte 5 GHz: in een pand met veel access points is 20 of 40 MHz beter dan 80. Smaller betekent meer kanalen en dus minder access points die op elkaar wachten.
- Frequentie leeg laten is automatisch. Vul je hem zelf in, verdeel de kanalen dan zo dat buren nooit hetzelfde kanaal hebben. Indoor in de EU: 5180 tot 5320 (DFS vanaf 5260) en 5500 tot 5700 (DFS). Op een DFS-kanaal verhuist een radio als hij radar denkt te zien; in een pand met veel verkeer is dat af en toe een onderbreking.
- Zendvermogen leeg is het maximum. Hang je ze dicht op elkaar, zet het dan lager. Een client die te lang aan een ver access point blijft hangen is een sterker vermogen niet waard.
Stap 6: bekabeling en PoE
- Eén kabel per access point, Cat6 of beter. Teken ze op het netwerkbord: de kabel toont de snelheid waarop hij loopt, en het bord meldt het als een gigabit-poort tegen een 10-gigabit-poort staat.
- Op een MikroTik met PoE-out zet je per poort
auto-on,forced-onofoff, in het onderdeel Bridge & poorten of met rechtsklik op een poort op het bord. forced-onis voor apparaten met passieve PoE die niet onderhandelen. Zet het nooit op een poort waar iets anders aan hangt.- Het PoE-budget zit niet in deze tool. Tel zelf op wat je access points trekken en leg dat naast het totale budget van je switch. Een switch die acht poorten heeft, hoeft er geen acht te kunnen voeden.
Stap 7: één netwerk van maken
Voor roaming moeten naam, beveiliging en wachtwoord op elk access point gelijk zijn; daarom horen ze in de gedeelde instellingen van een site. 802.11r fast roaming maakt de overstap sneller, maar sommige oude apparatuur struikelt erover: zet het aan en test met je scanners voordat je de hele hal omzet. Band steering duwt clients naar 5 GHz. Beheer je er meer dan een handvol, kijk dan naar CAPsMAN, zodat de wifi-instellingen van één plek komen.
Stap 8: meten achteraf
- Loop het pand af met het apparaat dat er echt gaat werken, niet met de nieuwste telefoon. Een handscanner heeft een kleinere antenne en ziet minder.
- Op het access point:
/interface wifi registration-table print(wifi-pakket) of/interface wireless registration-table print(oude pakket) toont per client het signaal en de snelheid. - Loop de route van de heftruck, niet de route van de rondleiding. Stilstaand meten in een gangpad zegt niets over rijden langs een volle stelling.
- Meet met volle stellingen. Het plan is een schatting en blijft dat; een meting ter plaatse heeft altijd het laatste woord.
Waar je op moet letten
- Te hoog hangen. Een rondstraler aan een spant van acht meter stuurt het meeste vermogen naar de vloer recht eronder en naar de wanden. Lager of gericht is meestal beter.
- Een access point in of tegen een metalen kast. Metaal kost 40 dB of meer; het plan waarschuwt als er een binnen een meter hangt.
- Alles op vol vermogen. Dan hoort een client overal iets en kiest hij nergens goed.
- Oude apparatuur op 2.4 GHz. Zet die band niet uit voordat je zeker weet dat niets hem nog nodig heeft.
Zie ook Kanalen en vermogen, PoE-out en Recept: roaming.